Nadenken


Het was weer overal zomer, en de mensheid bakte zich bruin tussen de strandtent aan de Nollepier en het beeld van de Maffe Vis op de dijk aan de andere kant van het strandje; de twee brandpunten van de ellips van welzijn, gastronomische overvloed ter oosterzijde, contemplatieve kunst ter westerzijde. De zuidelijke helft van de ellips bestond uit de branding van de Schelde, de oude rivier waarop zo menig jonge zeeheld het ruime zeegat koos, en zo menig oude man weer huiswaarts keerde, en de noordelijke helft bestond uit wit, fijn zand, het zand van het Nollestrand dat al sinds mensenheugenis de haven was voor verwonderde wandelaars en bepeinzers van het zijn.

Meester Frederick Leopold van Planckensteijn zat en keek en luisterde. Hij schepte wat zand op in de kom van zijn hand en liet het door zijn vingers sijpelen en vroeg zich af in hoeverre hij en zijn tijdgenoten op het zand leken, in hoeverre zij waren als het zand der zee, zoals ooit tegen Abraham was gezegd dat zijn nageslacht zou zijn. Hij verwonderde zich er over dat Mozes de zandkorrels van het strand - werkelijk ontelbaar in aantal - vergeleken had met de sterren, hooguit een paar duizend zichtbaar in de nachtelijke hemel. Hoe wist Mozes dat er buiten de minieme fractie zichtbare sterren zo goed als ontelbare hoeveelheden legioenen sterren scholen, zodat een vergelijking met het zand der zee aanvaardbaar was? Toen dacht hij aan de woorden van David, die schreef dat God's gedachten meer waren dat het zand der zee, en dat hij Hem zou ontmoeten bij zijn ontwaken. En de wonderlijke woorden van het scheppingsverhaal, hoe uit de vormloze wateren het droge land rees, en vrucht droeg, en direct daarop de sterren zag verschijnen.
spacer"Droge aarde is het einde van de zee", mompelde hij voor zich uit en direct daarna werd zijn aandacht afgeleid door de verschijning van een jongeman die door het zand ploegend op hem afliep, hem groette en na niet al te veel inleiding vroeg of hij van mening was dat God bestond.
De meester keek de jongen aan en zweeg.
spacer "Heeft u geen antwoord?" vroeg de jongen na een paar minuten.
spacer "Hoe zou u mijn woorden begrijpen als u mijn stilte niet begrijpt?" antwoordde de meester.
De jongen liep hoofdschuddend weg.
De volgende dag echter was hij terug. Hij groette de meester met een grimmige grom en merkte op dat de meester's antwoord van de vorige dag nergens op sloeg.
spacer "Heeft u er over nagedacht?" vroeg de meester.
spacer "Natuurlijk" riep de persoon verontwaardigd, "de hele dag!"
spacer "Dan" zei de meester, "was mijn antwoord het antwoord dat u zocht."
De jongen keek de meester aan en vertrok, iets minder verward en iets meer peinzend.

Enkele leerlingen kwamen later die dag op het voorval terug en vroegen uitleg. De meester antwoordde: "God is niet zomaar een entiteit die aangewezen kan worden om Zijn bestaan te bevestigen. Er is niets dat op Hem lijkt; we hebben geen referentiekader waaraan we Hem kunnen toetsen. En er zijn zoveel tegenstrijdigheden over God beweerd dat het punt van dispuut niet het bestaan van God is maar de aard van Zijn kwaliteiten. De vraag of God bestaat is grondeloos als God niet eerst gedefinieerd is. De vraag 'wie en wat is God', is daarom veel interessanter."
spacer"Ik geloof niet in God", zei iemand.
spacer "O nee?" zei de meester met hoopvolle interesse.
spacer "Nee", zei de persoon, "Ik geloof niet in een of andere baard op een wolk die met vuur smijt, en allerlei geboden te pas en te onpas, en uit pure hufterigheid hele volken over de kling laat jagen omdat hij ze om te beginnen niet goed in elkaar had gezet."
De meester antwoordde: "Is er niets? Is er niets buiten adiabatische expansie, toeval, mutaties en natuurlijke selectie? Geen komen van en gaan naar, alleen maar niets?"
spacer "Nou", zei de persoon, "Ik geloof wel dat er 'iets' is maar ik geloof niet dat dat God is."
spacer "Aha", zei de meester blij. "Die God waar u niet in gelooft daar geloof ik ook niet in. Maar dat 'iets' waar u wel in gelooft heeft mij veel geleerd."
spacer "Mm", zei de persoon.
spacer "Wie had dat kunnen denken", zei de meester. "We zijn het zomaar eens, u en ik. Er is geen grotere vreugde dan een ander mens de hand te kunnen reiken in de consensus van verbazing. En er is geen groter verdriet dan overtuiging en de vijandschap die het voortbrengt."


• • •